Skip to main content Skip to main nav

04 juni 2022

Materialen en milieueffecten van waterschapsobjecten in kaart

STOWA en de Unie van Waterschappen hebben in kaart laten brengen hoeveel materialen de waterschappen beheren in hun objecten, en wat de milieueffecten daarvan zijn. Het is de eerste keer dat dit gebeurt. De studie vormt een belangrijk startpunt voor de circulariteitsdoelen van de overheid, en dus ook voor de waterschappen: in 2030 50%, in 2050 volledig circulair.

In totaal hebben de 21 waterschappen in Nederland naar schatting 570 megaton aan materialen in beheer, voornamelijk grond en klei in waterkeringen. Als de grond in waterkeringen niet wordt meegerekend, is de materiaalvoorraad zo’n 10 megaton, bestaande uit bouwmaterialen als beton, staal, hout en kunststoffen.

In 2030 moet Nederland voor 50 procent circulair zijn en in 2050 volledig circulair. Waterschappen beheren objecten zoals rwzi’s, persleidingen, gemalen, beschoeiing en waterkeringen, en daarmee een grote voorraad aan materialen. Deze objecten worden assets genoemd. Er ligt een grote uitdaging om deze assets circulair te beheren. Maar wat is nu de omvang van deze materiaalvoorraad? Wat is het effect hiervan op de circulaire economie en het milieu? En hoe kunnen deze assets circulair beheerd worden? Deze vragen waren aanleiding voor het materialenonderzoek, uitgevoerd door Witteveen+Bos en Metabolic in opdracht van STOWA en de Unie van Waterschappen. In het onderzoek zijn de bouwmaterialen geanalyseerd in de assets van zes waterschappen: waterschappen Noorderzijlvest, Vallei en Veluwe, Zuiderzeeland en Amstel, Gooi en Vecht en hoogheemraadschappen Delfland en Hollands Noorderkwartier.

Gemiddeld bedraagt de materiaalvoorraad 27 megaton per waterschap. Zonder waterkeringen is dat 0,5 megaton. Voor het winnen van deze materialen en het maken van objecten zijn energie en grondstoffen verbruikt. Hierdoor is er een milieu-impact ‘ingebed’ in deze assets.

De gemiddelde ingebedde klimaatimpact van de totale materiaalvoorraad per waterschap bedraagt circa 1,2 megaton CO2-equivalent. Een meer volledige vertegenwoordiging van milieu-impact is de MilieuKostenIndicator (MKI). Deze bedraagt gemiddeld 127 miljoen euro per waterschap. De mate van circulariteit is ook bepaald op basis van de Material Circularity Index en is nog slechts 13 procent.

“We zijn in september 2020 gestart met het onderzoek”, vertelt Rob Dijcker van Witteveen+Bos. “En het is een taai proces gebleken om areaaldata en referentieontwerpen te verzamelen, te verifiëren en vervolgens te analyseren. Toch geeft het eindresultaat voor het eerst en in de volle breedte een overzicht van materiaalgebruik en milieu-impact van assets in beheer van waterschappen.”
Bas Nanninga heeft het onderzoek vanuit de Unie van Waterschappen begeleid. Hij verwacht dat het onderzoek helpt om verder richting te geven aan de strategie Circulaire waterschappen die de Unie aan het ontwikkelen is. “Een uitdaging voor de komende maanden is om voor de belangrijkste objecten concrete doelen en circulaire oplossingen uit te werken. Hierbij zoeken we zeker de samenwerking met andere infrabeheerders, zoals Rijkswaterstaat en Prorail.”

Er zijn twee raporten verschenen: een hoofdrapport en een achtergrondrapport met een verantwoording van de gehanteerde rekenmethodieken

Bron: Unie van Waterschappen