2 april 2026
STOWA brengt boek uit over de ‘vergeten’ watersnoodramp van 1926
De ramp die geen ramp mocht heten. Zo is de watersnoodramp van 1926 de boeken in gegaan. In het rivierengebied breken in januari van dat jaar meer dan 100 dijken door. Grote delen van Nederland langs de Maas, de Waal en de IJssel komen onder water te staan. Toenmalig premier Colijn vindt echter dat overstromingen in het rivierengebied ‘er nu eenmaal bij horen’, en houdt om die reden lang de hand op de knip. Precies 100 jaar later is er een speciale STOWA-uitgave die dieper ingaat op de ramp, de nasleep ervan en wat we ervan kunnen leren.
Op oudejaarsdag 1925 breekt de dijk langs de Maas tussen Overasselt en Nederasselt. Maaswater overspoelt het Land van Maas en Waal en richt een ravage aan. Ook elders zorgen extreme waterstanden – het gevolg van smeltwater en hevige regenval – voor grote en kleinere dijkdoorbraken. De doorbraken zetten een uitgestrekt gebied van Limburg tot de IJssel en Vecht onder water. Het land van Maas en Waal wordt het ergst getroffen. Er vallen geen doden, maar de schade is enorm. Zo’n 3000 huizen raken beschadigd, vee verdrinkt en oogsten mislukken. Omdat de toenmalige premier Colijn de watersnood niet als nationale ramp erkent, zijn veel getroffenen aangewezen op geld dat door particulieren wordt ingezameld.
Auteur Moniek Löffler – aan wie STOWA de opdracht verleende voor deze uitgave – legt in het boek mooie verbanden tussen het verleden, heden en toekomst van onze waterveiligheid. Daarin staat niet zozeer de techniek centraal, maar de bestuurlijke en sociale context van de watersnood. Aan de hand van vier locaties (de Limburgse Maas, de Brabantse Maas, Rijn en Waal en IJssel en Overijsselse Vecht) schetst ze een beeld van de manier waarop boeren, burgers en bestuurders destijds probeerden het tij te keren. Niet alleen de oorzaak en het verloop van de ramp, maar ook de maatschappelijke effecten en de bestuurlijke en beleidsmatige gevolgen voor waterbeheerders krijgen aandacht. Daarmee laat de uitgave helder de samenhang zien tussen waterveiligheid, ruimtelijke ordening, bestuurlijke dilemma’s en menselijke kwetsbaarheid van toen, nu en straks.
Het toenmalige Waterschap De Maaskant, nu onderdeel van Aa & Maas, was destijds één van de getroffen waterschappen. De huidige dijkgraaf Mario Jacobs mocht dan ook het eerste exemplaar van het boekje in ontvangst nemen. Dat gebeurde tijdens de Kennisdag Professionaliseren Instandhouding Waterkeringen van STOWA, op 19 maart jl. Het is een dag waar jaarlijks meer dan 350 waterkeringbeheerders zich laten bijpraten over de laatste ontwikkelingen rond waterveiligheid.
De doorbraak kwam volgens Jacobs als een verrassing, maar had mogelijk voorkomen kunnen worden. De noodzaak voor dijkverbeteringen werd erkend, maar er was in de jaren ervoor veel tijd verloren gegaan met gesteggel over de bekostiging ervan. Het geld kwam er, maar toen was het te laat. Na de ramp krijgt Cornelis Lely de opdracht een plan te maken om herhaling te voorkomen. Mario Jacobs: “Het resulteerde erin dat veel bochten in de rivier worden afgesneden, de rivier werd verruimd en de dijken werden versterkt.” Door al deze maatregelen zijn grote rampen ons sindsdien bespaard gebleven. Jacobs: “En om te zorgen dat dat zo blijft, zijn we in een project als de Meanderende Maas de rivier weer aan het aanpakken. Dat moet ook wel, want het aantal burgers en bedrijven achter de rivierdijken, is in die honderd jaar enorm toegenomen. En dat terwijl de klimatologische omstandigheden zijn veranderd. Een nieuwe dijkdoorbraak nu zou nog veel grotere gevolgen hebben dan destijds.”
De les van de ramp is dat waterveiligheid veel meer omvat dan stevige dijken en vraagt om een meerlaagse, integrale benadering en slagvaardige samenwerking van alle betrokken partijen. De ramp van 1926 heeft het waterbeheer in Nederland fundamenteel veranderd. De Ramp die geen ramp mocht heten laat zien dat we van de geschiedenis moeten, leren, zodat deze zich niet zal herhalen.
English resume