Risicobeoordeling blauwalgen in zwemwater. Nieuwe technieken voor de bepaling van de aanwezigheid van blauwalgtoxines

Het identificeren van toxinegenen en het bepalen van toxineconcentraties van blauwalgen geeft een meer betrouwbare inschatting van het daadwerkelijke gezondheidsrisico voor zwemmers dan de huidige analysetechnieken. Dat is de belangrijkste conclusie van een onderzoek naar het gebruik van enkele nieuwe technieken bij de monitoring en risicobeoordeling in zwemwateren. Er is nog wel nader onderzoek nodig voordat deze technieken een plek kunnen krijgen in het Blauwalgenprotocol.

In de Europese Zwemwaterrichtlijn worden blauwalgen (cyanobacteriën) expliciet genoemd als gevaar voor de volksgezondheid. Als er op een bepaalde zwemwaterlocatie een reële kans is op proliferatie (bloei) van blauwalgen, moeten de verantwoordelijke overheden volgens de richtlijn controles uitvoeren en passende maatregelen nemen om zwemmers te beschermen. Het Blauwalgenprotocol is de Nederlandse invulling van deze verplichtingen.

In het Blauwalgenprotocol staat het meten van cyanochlorofyl (met behulp van fluorescentie) en biovolume (met behulp van microscopie) centraal. Dit levert een schatting op van de hoeveelheid blauwalgen in zwemwater, en daarmee op het risico van het aanwezig zijn van blauwalgtoxines. Het zijn die toxines waar zwemmers ziek van (kunnen) worden. De huidige manier van meten leidt echter tot overschatting van het risico voor de volksgezondheid, omdat niet alle blauwalgen toxines produceren. Alleen toxische blauwalgen doen dat,

Er zijn inmiddels diverse nieuwe technieken ontwikkeld die het gezondheidsrisico waarschijnlijk beter inschatten, omdat ze een directe(re) relatie leggen met aanwezige toxines en gezondheid. Met DNA-analyse is het mogelijk om in blauwalgen aanwezige toxinegenen te detecteren en te identificeren. De aanwezigheid van dergelijke genen wijst op de mogelijke productie van toxines, maar in welke concentratie is nog niet af te leiden. Niet elke blauwalg met een toxinegen produceert namelijk toxines. De exacte toxineconcentraties op een bepaald moment zijn wél te meten met de laboratoriumtest ELISA en door chemische analyse met LC-MS/MS.

De nieuwe technieken om toxinegenen en toxineconcentraties te bepalen geven, zo is gebleken uit dit onderzoek, een betere inschatting van de hoeveelheid toxines in het water en daarmee een nauwkeuriger beeld van het gezondheidsrisico. Bovendien gaan de ontwikkelingen van DNA-technieken snel. Het is de verwachting dat binnen enkele jaren DNA-analyses sneller, beter en goedkoper een beeld geven van de kans op voorkomen van toxines. Of die toxines dan daadwerkelijk in het water aanwezig zijn, kan onderzocht worden in een tweede stap, waarbij de ELISA-techniek veelbelovend is. Maar ze zijn tot dusver nog niet uitgebreid toegepast bij blauwalgmonitoring.

De opstellers van het rapport bevelen aan met de nieuwe technieken meer ervaring op te doen en dan te bezien of deze opgenomen kunnen worden in de regelgeving (het Blauwalgenprotocol). Als de nieuwe technieken inderdaad betrouwbaar zijn, zal het nog enige tijd nemen voordat ze verankerd kunnen zijn in wet- en regelgeving. Daarvoor is onder andere afstemming nodig met de Europese Commissie.