Skip to main content Skip to main nav

Vergrijzing van grondwater

In deze Deltafact wordt ingegaan op ‘vergrijzing’ van grondwater, de voortschrijdende beïnvloeding van de chemische kwaliteit van grondwater. De betekenis van vergrijzing wordt beschreven en er wordt ingegaan op de oorzaken. Hierbij worden onder andere de typen bronnen beschreven die bijdragen aan vergrijzing. Tenslotte worden handelingsperspectieven gegeven om vergrijzing te mitigeren.

1. INLEIDING
2. GERELATEERDE ONDERWERPEN EN DELTAFACTS
3. HOE ONTSTAAT VERGRIJZING?
4. BRONNEN VAN VERONTREINIGING
5. MATE VAN VERGRIJZING VAN GRONDWATER IN NEDERLAND
6. DE ERNST VAN VERGRIJZING VAN GRONDWATER
7. HANDELINGSPERSPECTIEVEN
8. KENNISLEEMTEN

1. INLEIDING

Door menselijke activiteiten komen steeds meer verontreinigende stoffen in het grondwater, en omdat dit lang aanhoudt, komen stoffen ook steeds dieper in het grondwater (Van Loon et al., 2020). De voortschrijdende, sluimerende, beïnvloeding van de chemische kwaliteit van grondwater tot steeds grotere diepte wordt ‘vergrijzing’ genoemd. Vergrijzing die leidt tot risico’s of gebruiksbeperkingen kan een probleem zijn, omdat grondwater gebruikt wordt als grondstof voor drinkwater, frisdrank en bier, voor beregening van voedingsgewassen en het drenken van vee en omdat bepaalde ecosystemen (terrestrische en aquatische) afhankelijk zijn van voldoende schoon grondwater. Tot de mogelijke problemen behoren risico’s op mengseltoxiciteit (voor mensen en ecosystemen), intensievere en hogere kosten voor drinkwaterzuivering, versnelde afschrijving van putten en installaties en uitblijvend herstel van aquatische en terrestrische natuur.

In deze Deltafact wordt uiteengezet wat vergrijzing is, hoe het ontstaat, hoever de vergrijzing is voortgeschreden en wat de mogelijke consequenties zijn. Daarnaast komen handelingsperspectieven aan bod om vergrijzing te voorkomen of tegen te gaan.

Een deel van de stoffen die voor vergrijzing zorgen komt ook van nature in grondwater voor. De concentraties van deze stoffen kunnen echter verhoogd zijn, ten gevolge van menselijke inbreng in de bodem of het grondwater of door waterhuishoudkundige ingrepen. Een ander deel betreft milieuvreemde stoffen, zoals resten van bestrijdingsmiddelen, geneesmiddelen en diverse andere organische microverontreinigingen of hun afbraakproducten. Meetgegevens van drinkwaterbedrijven en provincies geven aan dat in waarnemingsfilters in minimaal 60% van de freatische grondwaterwinningen milieuvreemde stoffen worden aangetroffen (Van Loon et al., 2019).

Een gedeelte van de stoffen die in het grondwater komen, verblijft langdurig in het grondwatersysteem, en er blijven stoffen bijkomen (Hoekstra et al., 2019). Deze stoffen kunnen generaties lang tot op grote afstanden van de bron problemen veroorzaken. Ook de recent uitgebrachte Nationale Analyse Waterkwaliteit gebruikt de term ‘vergrijzing’ (Van Gaalen et al., 2020) en signaleert daarbij knelpunten in de geschiktheid van grondwater voor grondwaterafhankelijk oppervlaktewater, grondwaterafhankelijke natuur en voor drinkwaterwinningen. De druk op het Nederlandse grondwater is in de afgelopen decennia toegenomen: veel ontwatering, meer onttrekkingen, meer en dieper gebruik van de bodem voor andere functies. Daarnaast is ook de belasting met stoffen hoog. Grondwater is een traag reagerend medium, waardoor het lang duurt voordat een stof op grotere diepte is aangekomen en het ook lang duurt voordat een maatregel effect heeft. Het is goed voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit dat er natuurlijke barrières zijn die ervoor zorgen dat stoffen die aan maaiveld vrijkomen, niet ongehinderd het diepe grondwater bereiken.

Barrières

Er zijn drie barrières die ervoor zorgen dat het transport naar het diepe grondwater wordt vertraagd en/of stoffen worden afgebroken:

  1. Slecht doorlatende lagen beperken de verspreiding van stoffen verticaal. Door activiteiten in de ondergrond staat deze barrière onder druk.
  2. Bodemorganismen breken veel schadelijke stoffen geheel of gedeeltelijk af. Soms ontstaan hierbij restproducten die schadelijker zijn dan de moederstof. Deze barrière staat onder druk door stoffen die in en op de bodem worden gebracht zoals nitraat, bestrijdingsmiddelen en diergeneesmiddelen. Daardoor kan de activiteit van de biologische gemeenschap afnemen en daarmee ook de omzetting van schadelijke stoffen.
  3. Onder invloed van reactieve bestanddelen in de ondergrond worden veel verontreinigingen afgebroken. Hierbij kunnen omzettingsproducten ontstaan of stoffen in oplossing gaan, die vaak minder schadelijk zijn, maar ook kunnen leiden tot extra maatschappelijke kosten als gevolg van putverstopping of de noodzaak voor ontkalking. De voorraad van deze mineralen wordt geleidelijk verbruikt, waardoor op specifieke locaties de geochemische bescherming op de lange termijn af kan nemen (Van der Grift en Van der Stuyfzand, 2019).

In Nederland komt in veel gebieden tot grote diepte zoet en schoon grondwater voor. Met het milieubeleid is bewerkstelligd dat sommige bijdragen aan vergrijzing, zoals input van meststoffen, specifieke bestrijdingsmiddelen en bodemverontreinigingen, zijn afgenomen. Maar er zijn ook toenemende risico’s, zoals:

-        toename boringen voor bodemenergie en irrigatie;
-        toename bevolking en bijhorende toename verstedelijking en infrastructuur;

-        toename gebruik oppervlaktewater om grondwater in droge periodes aan te vullen en overtollig oppervlaktewater te bergen;
-        doorlopende toename van de introductie (op de markt komen) van nieuwe synthetische stoffen;
-        toenemende droogte en natte perioden als gevolg van klimaatverandering.

Daarnaast neemt door de toename van de bevolking de vraag naar grondwater voor drinkwaterbereiding toe, terwijl de druk op het grondwatersysteem toeneemt en verplaatsen van winningen nauwelijks meer mogelijk is (Buitenkamp et al., 2019). Om hierop voorbereid te zijn wijzen provincies aanvullende strategische voorraden (ASV) aan.

Daarom is en blijft het belangrijk om met milieubeleid, ruimtelijke bescherming en bescherming van de natuurlijke barrières (scheidende lagen, biologische afbraak) de schone grondwatervoorraden te behouden en te kunnen benutten.

2. GERELATEERDE ONDERWERPEN EN DELTAFACTS

Deze Deltafact is één van een vijftal opgesteld als onderdeel van het project

‘Grondwaterkwaliteit: Vergrijzing van grondwater door menselijke invloeden met nadruk op langetermijneffecten’, een project binnen de Kennisimpuls Waterkwaliteit. De andere vier Deltafacts zijn:

  • Deltafact ‘Effecten van kunstmatige infiltratie van oppervlaktewater op de grondwaterkwaliteit’ 
  • Deltafact ‘Mogelijke lange-termijn effecten van grootschalige geothermie op grondwaterkwaliteit’ 
  • Deltafact ‘Mogelijke lange-termijn effecten van opkomende stoffen op grondwaterkwaliteit’ 
  • Deltafact ‘Effecten open en gesloten bodemenergiesystemen op grondwaterkwaliteit’ 

Andere gerelateerde onderwerpen:

3. HOE ONTSTAAT VERGRIJZING?

Vergrijzing van grondwater wordt in deze Deltafact gedefinieerd als de voortschrijdende, sluimerende, beïnvloeding van de chemische kwaliteit van grondwater, ondanks: preventief beleid (vooral voor bestrijdingsmiddelen en meststoffen), sanering en/of beheersing (van historische verontreinigingen) en afvoer, vastlegging, afbraak en verdunning (alle stoffen).

Het betreft enerzijds inputs van synthetische stoffen, anderzijds natuurlijke stoffen die door menselijk activiteiten in hogere concentraties voorkomen, direct als inputs, of indirect door reacties in de ondergrond. De stoffen waar het om gaat zijn bijvoorbeeld:

  • Meststoffen en bestrijdingsmiddelen; deze worden doelbewust toegepast op het land en komen voor een deel ook in het grondwater terecht.
  • Diverse stoffen die ten gevolge van industriële activiteiten in het grondwater terechtkomen of in het verleden terechtgekomen zijn.
  • Geneesmiddelen die in het grondwater terecht kunnen komen door lekkende riolen, via dierlijke mest of via infiltrerend oppervlaktewater.
  • Stoffen uit consumentenproducten, zoals PFAS, weekmakers, schoonmaakmiddelen en cosmetica.
  • Stoffen die vrijkomen bij ondergrondse activiteiten (b.v. geothermie en bodemenergiesystemen).
  • Algemene stoffen, bijvoorbeeld door toepassing van strooizout.
  • Metalen, kalk en andere bodembestanddelen die o.a. onder invloed van zuren, nitraat, ontwatering of vernatting in oplossing gaan.
  • Ook ontwatering kan leiden tot vrijkomen van stoffen in het grondwater.

Al met al gaat het om een grote diversiteit aan (natuurlijke en synthetische) stoffen, toepassingen en bronnen.

Figuur 1 (links). Gesimuleerde maximale diepte (m min maaiveld) dat water bereikt na 30 jaar.

Gedrag van stoffen in het grondwater

Stoffen verplaatsen zich horizontaal en verticaal met het grondwater, worden verdund, breken af of worden omgezet bijvoorbeeld onder invloed van veranderende redox-omstandigheden en gaan interactie aan met de vaste fase: sorptie of reactie met één of meer bodemmineralen en organische stof.

Door reacties met mineralen kunnen stoffen die voorheen vastgelegd waren, worden gemobiliseerd. Door interactie van nitraat met pyriet komen bijvoorbeeld sulfaat, nikkel en arseen vrij.

Op de langere termijn leiden al deze processen ertoe dat grote volumina grondwater met één of (veel) meer stoffen verontreinigd raken. Zogeheten conservatieve stoffen infiltreren met dezelfde snelheid als het water, andere worden vertraagd en/of afgebroken. De maximale snelheid waarmee stoffen zich naar de diepte verplaatsen, kan worden afgelezen uit Figuur 1 waarin de gesimuleerde diepte (m min maaiveld) wordt weergeven dat water bereikt na 30 jaar. In de donkerrode gebieden bijvoorbeeld zit het geïnfiltreerde water van 1990 (30 jaar geleden) dus inmiddels meer dan 50 meter diep. Dit is bijvoorbeeld het geval onder de grote stuwwallen en de rivierstroomgordels. Al dat water is meer of minder antropogeen beïnvloed. In polder- en kwelgebieden gaat dit aanzienlijk minder diep omdat infiltrerend regenwater daar wordt afgevangen door het drainagestelsel. Door de korte stroombanen wordt dit deel van het grondwatersysteem relatief snel ververst.

In de beekdalen op de hoge zandgronden is het patroon fijnmaziger: onder de hogere ruggen dringt het grondwater tot grotere diepte door dan in de beekdalen.

 4. BRONNEN VAN VERONTREINIGING

Er zijn een aantal bronnen die leiden tot vergrijzing. De belangrijkste worden hieronder beschreven.

Diffuse bronnen

Door agrarische activiteiten en atmosferische depositie komen nitraat, andere meststoffen, metalen, zuren, bestrijdingsmiddelen en (veterinaire) geneesmiddelen in de bodem terecht. De toepassing van meststoffen en bestrijdingsmiddelen is gereguleerd, maar uitspoeling van een deel van de stoffen naar het grondwater wordt geaccepteerd. Sommige stoffen, zoals stikstofoxiden uit verkeer en ammoniak uit de veehouderij, kunnen via atmosferische depositie over grote afstanden verspreid worden. Ook industrieën en huishoudens kunnen door depositie van luchtverontreinigingen het grondwater met allerlei stoffen belasten. Bestrijdingsmiddelen worden ook in stedelijk gebied gebruikt, voor beheer van sportvelden, golfbanen, etc., ook door particulieren. Uit lekkende riolen kan een veelheid aan stoffen in het grondwater terecht komen: nutriënten, geneesmiddelen, schoonmaakmiddelen, cosmetica, etc. Bij wegen en spoorwegen kunnen o.a. PAK’s, olieproducten, metalen, onkruidbestrijdingsmiddelen en strooizout in het grondwater terechtkomen.

Puntbronnen: historische verontreinigingen

Bodem- en grondwaterverontreinigingen zijn veelal ontstaan ten gevolge van lekkages, morsingen, andere calamiteiten en illegale lozingen. Deze komen voornamelijk voor in bebouwd gebied. Ook het onzorgvuldig gebruik van industriële reststoffen heeft in het verleden geleid tot grondwaterpluimen, ook in het landelijk gebied, zoals de verharding van wegen met zinkassen in de Kempen. Grote historische puntbronnen zijn aangepakt maar kunnen nooit helemaal worden opgeruimd; er blijft altijd een restant van de verontreiniging achter. Kleinere puntbronnen hoeven niet te worden opgeruimd en dragen dus ook bij aan vergrijzing. Daarnaast is er een categorie verontreinigingen waar de concentraties onder de interventiewaarde blijven maar wel verhoogd zijn. Ook dat draagt bij tot vergrijzing. Last but not least is er een categorie verontreinigingen die niet het predicaat ‘spoed’ hebben maar wel ‘ernstig’; hier worden interventiewaarden overschreden in een groot volume grondwater, maar de aanpak krijgt geen prioriteit (geen sanering binnen vier jaar).

Nieuwe bodemverontreinigingen moeten sinds 1988 worden opgeruimd, maar dit gebeurt niet altijd.

Lijnbronnen

Oppervlaktewater kan infiltreren onder invloed van waterhuishoudkundige ingrepen, zoals het onttrekken van grondwater of het opstuwen van waterpeilen. Infiltratie wordt steeds meer ingezet als middel om de hoeveelheid grondwater in wateraanvoergebieden op peil te houden. Voor de productie van drinkwater wordt op sommige plaatsen actief water geïnfiltreerd. Dit water wordt doorgaans vóórgezuiverd, om aan de eisen van het infiltratiebesluit te voldoen (en natuurwaarden te verhogen).

Door lozingen, afspoeling en drainage kan oppervlaktewater een veelheid aan stoffen bevatten, die vaak afkomstig zijn uit rioolwater, industriële processen, landbouw of verkeer. Al deze stoffen komen met het infiltrerend oppervlaktewater in het grondwater terecht.

Hydrologische ingrepen

Hydrologische ingrepen, zoals ontwatering, onttrekkingen en vernatting[1], kunnen als neveneffect hebben dat stoffen vrijkomen en in het grondwater terechtkomen. Ontwatering en onttrekkingen, bijvoorbeeld, hebben geleid tot een daling van de grondwaterstand. Hierdoor wordt organisch materiaal omgezet, met name in veengronden, waarbij de zuurgraad wordt verhoogd en aan organische stof gebonden stoffen vrijkomen. Wisselende redoxcondities door zowel verdroging of vernatting kunnen leiden tot verhoogde concentraties van arseen en nikkel.

Doorboringen

Door niet goed afdichten van kleilagen bij doorboringen, of door lekkage van putten kunnen verontreinigingen zich verder naar de diepte verspreiden. Beregeningsputten, bodemenergiesystemen en geothermie zijn voorbeelden van activiteiten waar risico’s op vergrijzing bestaan. Voor een deel zijn dit ingrepen die nog relatief recent hebben plaatsgevonden en waarvan de effecten nog niet zichtbaar zijn. Meer informatie over faalkansen, omvang van lekkages en effectiviteit van maatregelen zijn nodig om risico’s goed te kunnen inschatten. Meer informatie is te vinden in de Deltafacts over geothermie en bodemenergiesystemen.

5. MATE VAN VERGRIJZING VAN GRONDWATER IN NEDERLAND

Zoals boven al aangegeven, is er een grote diversiteit aan stoffen, bronnen en activiteiten die vergrijzing veroorzaken. Dat maakt het moeilijk om vergrijzing zichtbaar te maken of te kwantificeren. De mate van vergrijzing kan op verschillende manieren worden uitgedrukt, bijvoorbeeld als de totale hoeveelheid verontreinigende stoffen in kg, het volume verontreinigd grondwater, of in termen van risico’s. Voor meer informatie zie het achtergronddocument (Negash en Swartjes, in bewerking).

Door de continue infiltratie van (licht of sterk) verontreinigd grondwater wordt een steeds groter volume grondwater in enige mate verontreinigd en daarmee op termijn minder goed bruikbaar als bron voor drink- en beregeningswater en minder geschikt voor grondwaterafhankelijke ecosystemen.

Bestrijdingsmiddelen en metabolieten van bestrijdingsmiddelen worden vaak in grondwater aangetroffen; in ruwwater, diep grondwater en zeker in ondiep grondwater (Van Loon et al., 2019). Het betreft vooral herbiciden of metabolieten daarvan. Overschrijdingen van normen uit de grondwaterrichtlijn (EU, 2006) vinden ook plaats, met name voor bentazon en MCPP (werkzame stoffen) en dimethylsulfamide (DMS) en 2,6-dichloorbenzamide (BAM) (metabolieten). In enkele tientallen grondwaterwinningen komen in ruwwater bestrijdingsmiddelen voor tot boven de normen (Swartjes et al., 2016).

Voor metalen / metalloïden en organische historische verontreinigingen wordt ongeveer in een kwart van de grondwaterafhankelijke drinkwaterwinningen de drinkwaterkwaliteitsnorm overschreden. Arseen, cadmium en nikkel overschrijden in 5% tot 7% van de grondwatermonsters in grondwaterlichamen de drempelwaarde. Cadmium en nikkel zijn hierbij meestal van natuurlijke oorsprong. Veel voorkomende organische stoffen in ruwwater zijn fenantreen, tolueen en gechloreerde koolwaterstoffen.

Daarnaast zien we een sterke groei in het aantal stoffen dat in grondwater wordt aangetroffen. Dit heeft er met name mee te maken dat er op steeds meer stoffen wordt geanalyseerd in de meetnetten. Bovendien zijn er steeds betere chemisch-analytische technieken en is er een toenemend aantal stoffen dat in de industrie wordt geproduceerd. In Figuur 3 staan de resultaten van een recent gepubliceerd onderzoek met (links) de aantallen aangetroffen antropogene stoffen en (rechts) de aantallen boven 0.1 µg/l11.

Ook nitraat draagt bij aan vergrijzing. Nitraat werkt door op de kwaliteit van diverse grondwaterwinningen (Van Driezum et al., 2020), en kan daar tot gezondheidsrisico's leiden. Daarnaast leidt het tot hogere kosten voor ontharding van drinkwater. Bovendien belemmert nitraat in grondwater de realisatie van natuurdoelen in grondwaterafhankelijke ecosystemen en na drainage ook die van ecosystemen in het oppervlaktewater. Nitraat laat goed zien hoe lang een verontreiniging in het grondwater problemen kan blijven veroorzaken.

Nitraat wordt zeer frequent in het bovenste (d.w.z. de bovenste meter) Nederlandse grondwater in landbouwgebieden aangetroffen, in een aantal grondwaterbeschermingsgebieden vaak in concentraties boven de norm. Figuur 2 komt uit de recente Nitraatrichtlijn-rapportage (Fraters et al., 2020). Daaruit blijkt dat de nitraatconcentraties in het bovenste grondwater decennialang zijn gedaald als gevolg van het mestbeleid, maar dat deze daling nu stagneert en dat de nitraatconcentraties zelfs weer licht stijgen. Nitraatconcentraties onder landbouwgronden zijn nog altijd frequent te hoog, vooral onder de drogere löss- en zandgronden. Verdere maatregelen zijn ingezet. Het nitraatprobleem is dus nog niet overal opgelost.

Figuur 2. Nitraatconcentratie in uitspoelend water op landbouwbedrijven.

Al met al is het begrip ‘vergrijzing’ op dit moment onvoldoende uitgekristalliseerd om eenduidig de mate van vergrijzing uit te drukken.

Figuur 3 . Aantal aangetroffen stoffen door de mens gemaakt (bestrijdingsmiddelen, geneesmiddelen, en overige stoffen) in ondiep grondwater (<10 m diepte)1 boven de rapportagegrens (links) en boven de signaleringswaarde van 0,1 µg/l (Van Loon et al, 2019).

6. DE ERNST VAN VERGRIJZING VAN GRONDWATER

Ook de ernst van vergrijzing is nog moeilijk te kwantificeren. In het Kennisimpuls-project wordt onderzocht of een indicator kan worden ontwikkeld om de mate van vergrijzing en de risico’s uit te drukken.

Gestreefd wordt naar een indicator die bruikbaar is om de ernst van vergrijzing te kunnen duiden. Een dergelijke indicator kan worden gebruikt om inzicht te krijgen in:

  1. de actuele situatie van vergrijzing van grondwater. De actuele situatie is gerelateerd aan (vaak onbekende) immissies uit het verleden;
  2. de toekomstige situatie van vergrijzing van grondwater;
  3. de verschillen tussen verschillende scenario’s op de vergrijzing van grondwater. De scenario’s verschillen bijvoorbeeld voor wat betreft de grootte van immissies naar de bodem of voor wat betreft de mate van functioneren van de drie barrières;
  4. de impact van maatregelen om vergrijzing te mitigeren. Hierbij kan de invloed van direct menselijk handelen die ten doel heeft de consequenties van vergrijzing te verminderen worden onderzocht;
  5. of de vergrijzing toe- of afneemt in de tijd.

Relevante factoren voor de indicator zijn wellicht:

  • de hoeveelheid stoffen die niet van nature in het grondwater voorkomen;
  • de concentraties van stoffen ten opzichte van achtergrondwaarden;
  • de volumes grondwater die beïnvloed zijn;
  • de totale aanwezige vrachten aan verontreiniging;
  • de risico’s verbonden aan die stoffen, bijvoorbeeld de persistentie, mobiliteit en toxiciteit;
  • de invloed op zuivering van drinkwater (technisch en financieel);
  • de intrinsieke waarde van grondwater.

7. HANDELINGSPERSPECTIEVEN

Een belangrijke vraag is welke mogelijkheden er bestaan om vergrijzing en de consequenties van vergrijzing te verminderen, de zogenaamde handelingsperspectieven. Globaal zijn handelingsperspectieven in de volgende categorieën in te delen, volgens de bron-pad-receptor-benadering:

  • aanpak van de bron, veelal door preventieve maatregelen;
  • ingrepen ‘in het pad’;
  • ingrepen bij de receptor.

Preventieve maatregelen

De meest effectieve maatregelen worden getroffen door vóórkoming van intrede van verontreinigingen in de bodem en daarmee in het grondwater. Een belangrijk onderdeel hiervan is kennis over de stoffen die in de verschillende bronnen voorkomen, mede op basis van metingen in het ondiepe grondwater. Bij onvoldoende kennis, kan teruggegrepen worden op het voorzorgsprincipe.

Een hoog preventierendement is te halen voor bestrijdingsmiddelen (toelating, toegediende hoeveelheden, wijze en periode van toediening, relatie met ondergrond en teelten). Een ander concreet aanknopingspunt is het onderhoud van riolen en de zuivering van drainagewater en effluent vanuit rioolwaterzuiverings- en industriële afvalwaterinstallaties en kassen. Naast een watertoets zouden nieuwe initiatieven getoetst kunnen worden op basis van een emissietoets zoals ook voor oppervlaktewater, maar dan afgestemd op grondwater.

Verder zijn er de volgende opties:

  • Verbeterde praktijk en handhaving van doorboringen en ondergrondse activiteiten, zoals WKO en geothermie.
  • Actueel houden van vergunningen voor lozingen en opslag en gebruik van stoffen.
  • Actievere invulling van het ruimtelijk beleid door nabij kwetsbare functies gewenste ontwikkelingen te stimuleren of zelfs te initiëren, of ongewenste ontwikkelingen te reguleren of te verbieden.
  • Ketenaanpak met sturing op basis van de stoffen of stofgroepen die het meest bijdragen aan vergrijzing.
  • Harmoniseren van beoordelingscriteria verschillende beleidsvelden, inclusief de stap maken van normopvulling naar nul-emissie.

In het kader van preventie is een speciale rol weggelegd voor regulering/wetgeving, voorlichting/informatie en handhaving. In een op basis van scores door experts opgestelde Top-20 van maatregelen om de inbreng van bestrijdingsmiddelen in het bodem-watersysteem te verminderen, waren er naast technische maatregelen 9 maatregelen gerelateerd aan regulering/wetgeving en twee aan informatie/ voorlichting (Swartjes et al., 2016). Hieronder kan ook worden geschaard het door ruimtelijk differentiëren schoonhouden van bepaalde grondwatervoorraden.

Belangrijk is vroegtijdige signalering van verontreinigingen bij de bron, zodat deze kan worden weggenomen of dat anders (bij puntbronnen) door het bijtijds treffen van maatregelen op het pad vergrijzing zo veel mogelijk wordt voorkomen.

Ingrepen in het ‘pad’

Tijdens passage van stoffen in het grondwater wordt voor vermindering van vergrijzing van grondwater automatisch gebruik gemaakt van de intrinsieke fysische, chemische en biologische bescherming van de ondergrond door de drie barrières:

  • blokkade van stoffen door slecht waterdoorlaatbare lagen;
  • (tijdelijke) vastlegging (adsorptie en/of precipitatie) van stoffen en
  • chemische omzetting en biologische afbraak van stoffen.

Daarnaast kunnen extensieve ingrepen worden ingezet in situaties waarbij stoffen niet voldoende worden tegengehouden, vastgelegd of afgebroken. Enkele concrete opties zijn als volgt:

  • Voorkomen of verminderen van aantasting van fysieke beschermingslagen (aanleg WKO-installaties) en geochemische buffers in de ondergrond.
  • Beschermen van de fysieke barrières en stimulering van de geochemische buffers in de ondergrond.
  • Stimuleren van biologische processen in de boven- en ondergrond.
  • Groen saneren of beheersen door bijvoorbeeld gebruik te maken van windpompen (voor de onttrekking) en helofytenfilters (voor de zuivering) of bomen (voor beide) die lage beheerkosten kennen. Kleinschalige positieve ervaringen hiermee kunnen worden opgeschaald tot zuiverende stedelijke groenvoorzieningen en natuurgebieden. Het water kan na zuivering weer worden geïnfiltreerd.
  • Combinaties van bovenstaande met vasthouden van water in verband met langere droge perioden in natuurgebieden en veenweiden.

Ingrepen bij de receptor

Ingrepen bij de receptor is eigenlijk het tegengaan van de gevolgen van vergrijzing. Bij ingrepen bij de receptor kan met name gedacht worden aan zuivering van vergrijsd grondwater bij gebruik van het water voor drinkwaterbereiding, irrigatie of veedrenking. Zuivering ten behoeve van consumptie is echter niet voor alle stoffen mogelijk, leidt tot extra milieubelasting en druist in tegen de geest van de Kader Richtlijn Water. Bij irrigatie of veedrenking kan een dergelijke zuivering mogelijk ook op een natuurlijke wijze (zoals hierboven genoemd onder ‘Groen saneren of beheersen’) plaatsvinden.

8. KENNISLEEMTEN

Door het ontbreken van een maatlat is het op dit moment niet mogelijk om vergrijzing van het grondwater eenduidig zichtbaar en meetbaar te maken. Dit vereist het aggregeren van een groot aantal relevante parameters in een (set) indicator(en). Daarnaast is een methode nodig om puntgegevens op te kunnen schalen naar gebiedsniveau, zodat informatie over grondwaterkwaliteit op de juiste schaal kan worden benut in de ruimtelijke planning.

De mate van vergrijzing van grondwater in Nederland, en zeker de toekomstige vergrijzing van grondwater, zijn slechts globaal bekend. Enerzijds zijn er aanwijzingen dat vergrijzing van grondwater toeneemt. Er worden bijvoorbeeld steeds meer stoffen in grondwater aangetroffen (zie ook de Deltafact over opkomende stoffen). Anderzijds nemen sommige bronnen af, zeker voor historische verontreinigingen. De bijdrage van niet-gereguleerde en opkomende stoffen aan vergrijzing is nog het meest onzeker. Het moet in meer detail vastgesteld worden welke stoffen in welke mate tot vergrijzing leiden.

De met vergrijzing gepaard gaande risico’s ten gevolge van het voorkomen van meerdere stoffen (b.v. mengseltoxiciteit) voor specifieke beschermingsdoelen op de langere termijn zijn onbekend. Dit geldt ook voor de toekomstige aantasting van gebruiksfuncties van grondwater op de lange termijn.

De impact van verschillende ingrepen voor wat betreft het functioneren en aangetast worden van de fysische, chemische en biologische barrières in de ondergrond is grotendeels onbekend. De processen die hiervoor van belang zijn, zullen moeten worden begrepen, gemodelleerd en gemonitord om de barrières voldoende in stand te houden.