Effecten van vernatting op de waterkwaliteit in veenweiden
Dit rapport brengt de beschikbare kennis samen over de effecten die het vernatten van veenweidegebieden heeft op de waterkwaliteit. Het laat zien welke processen, risico’s en kansen daarbij spelen. Er is gekeken naar effecten op hydrologische, fysische en biogeochemische processen in percelen, oevers, sloten en waterbodems. Het rapport laat zien dat vernatting zowel kansen als risico’s met zich meebrengt en dat gebiedskennis nodig is om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken.
|
Publicatienummer |
2026-28 |
|
Thema |
Klimaatadaptatie, Zoetwatertekort & droogte |
|
Datum |
|
In het Nederlandse veenweidegebied komen grote opgaven samen: het remmen van bodemdaling, het verminderen van broeikasgasemissies en het verbeteren van de waterkwaliteit. Vernatting is een belangrijke maatregel om bodemdaling en broeikasgasemissies tegen te gaan. Het is belangrijk om te begrijpen wat deze maatregelen betekenen voor de watervraag én voor de waterkwaliteit. De effecten van vernatting op de waterkwaliteit hangen sterk af van de uitgangssituatie, het watersysteem, de bodem en het beheer, zo komt uit dit rapport naar voren.
Het rapport laat zien dat vernatting zowel positieve als negatieve effecten kan hebben. Hogere grondwaterstanden remmen de aerobe afbraak van veen en kunnen op termijn bijdragen aan minder uitspoeling van nitraat en sulfaat. Dat kan gunstig zijn voor de waterkwaliteit. Tegelijkertijd kunnen op korte termijn risico’s ontstaan, zoals extra mobilisatie en uit- en afspoeling van nutriënten, oevererosie en slibaanwas in de watergang. Ook de kwaliteit en hoeveelheid van inlaatwater om tot vernatting te komen, kan een rol spelen.
Een belangrijke conclusie is dat vernatting vraagt om een goede analyse van de uitgangssituatie en om aangepast beheer van perceelranden, oevers, sloten en waterbodems. Een goed ontwikkelde oevervegetatie, zorgvuldig peilbeheer, geleidelijke peilopzet bij peilverhoging, het voorkomen van ongewenste inundatie en het beperken van onnodige wateraanvoer of rondpompen zijn voorbeelden van maatregelen om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. Tegelijkertijd blijkt dat de effecten van vernatting én mitigerende maatregelen contextafhankelijk zijn. Daarmee biedt dit rapport waterbeheerders handvatten om de effecten van vernatting op de waterkwaliteit mee te nemen in gebiedsprocessen en maatregelafwegingen.
Het rapport benoemt ook belangrijke kennislacunes. Voor verdere onderbouwing van de effecten van vernatting is meer kennis nodig over bodemprocessen, water- en stofstromen, bodemstructuur, oevervegetatie en slibaanwas. Dit vraagt om aanvullend onderzoek en monitoring.
Het rapport is gemaakt in opdracht van STOWA, als onderdeel van het STOWA-programma Veen en Water, en is mede gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Het programma Veen en Water is opgezet om de ‘veenwaterschappen’ te ondersteunen bij de veranderingen die nodig zijn om het waterbeheer in veenweidegebieden toekomstbestendig vorm te geven.
English resume