Chemische monitoring biota

De Unie van Waterschappen heeft met het oog op de Kaderrichtlijn Water het initiatief genomen voor een meetcampagne waarbij een aantal zogenoemde prioritaire stoffen worden gemonitord in biota, zoals vissen en mosselen. STOWA heeft hiervoor het onderzoeksprotocol op laten stellen.

De Kaderrichtlijn Water heeft als doel dat in 2027 alle waterlichamen een goede chemische en ecologische toestand hebben bereikt. Het oordeel over de chemische toestand wordt gebaseerd op de monitoringresultaten van zogenoemde prioritaire stoffen in oppervlaktewater. Voor elf van deze stoffen moeten de lidstaten ook de gehalten in organismen monitoren, zoals vissen of mosselen. Hierbij speelt een rol dat bij deze stoffen doorvergiftigingsrisico’s voor toppredatoren, i.c. de mens, een doorslaggevende rol in de normafleiding hebben én dat de huidige monitoring in oppervlaktewater onvoldoende betrouwbaar is (bijvoorbeeld doordat de huidige rapportagegrenzen nog te hoog zijn).

Voor de elf genoemde stoffen zijn niet alleen normen voor oppervlaktewater maar ook zogenaamde biotanormen vastgesteld. Rijkswaterstaat heeft in de afgelopen jaren al veel voorwerk verricht. Hieruit blijkt dat dit meten in biota serieuze waterkwaliteitsproblemen aan het licht brengt. Zo zijn voor stoffen als PFOS, PBDE (brandvertrager), heptachloor (bestrijdingsmiddel) hoge waarden aangetroffen die niet via de klassieke analyses zouden kunnen worden aangetoond.

In 2015 is een landelijk meetnet voor biotamonitoring opgezet, dat zich als eerste stap op uitsluitend de rijkswateren richtte. Eind 2015 is dit landelijk meetnet goedgekeurd door het cluster Monitoring, Rapportage en Evaluatie (MRE). Het is daarmee niet verplicht maar wordt wel sterk aanbevolen.  Zij adviseerden de waterschappen om, parallel aan de ondertussen gestarte uitvoering in rijkswateren, ook zelf biotamonitoring te gaan doen om zo te bepalen of voor het eigen beheergebied biotamonitoring nodig is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de monitoring in rijkswateren geen goed beeld van de regionale omstandigheden geeft. Het cluster MRE heeft vervolgens het Regionaal Afstemmingsoverleg Monitoring (RAM) verzocht de toepassing hiervan verder uit te werken en te begeleiden. Het huidige project is hier het directe gevolg van en biedt de deelnemende waterschappen de mogelijkheid om met elkaar deze ervaring op te doen. 

Waterschappen zijn niet verplicht om aan het nu voorgestelde onderzoek deel te nemen. Deelname wordt echter wel sterk aanbevolen, te meer daar de waterschappen wél verplicht zijn om ook voor de biotanormen te komen tot een accuraat oordeel over de huidige chemische toestand. Door het onderzoek te combineren in één project wordt er voor gezorgd dat de werkwijze, uitvoering en interpretatie identiek zijn, zodat de resultaten goed met elkaar vergeleken kunnen worden.

Meer informatie?

Voor vragen over dit project kunt u contact opnemen met Jaap Postma, 06-20077944.